Water als laatste redmiddel

December 1672: de Fransen trekken zich terug en laten een spoor van vernieling achter

Het water biedt ook nu weer uitkomst

Willem III geeft als opperbevelhebber de opdracht om sluizen open te zetten en dijken door te laten breken. Al snel ontstaat er een laag water van 30 à 40 centimeter hoog. De grond is dan te drassig om te doorwaden en het water te ondiep om over te varen. Van Muiden tot Gorinchem staat het land onder water. De Fransen zitten in de val en opeens lijkt de overwinning voor de Republiek in zicht. Toch gaat het in december 1672 nog bijna mis: het gaat vriezen. De Fransen kunnen nu verder trekken over het dunne ijs. Maar de vorstperiode duurt maar kort en uiteindelijk moeten de Fransen zich toch terugtrekken. Op hun terugtocht richten ze een spoor van vernielingen aan. Kleine dorpen als Bodegraven en Zwammerdam worden door de Fransen geplunderd en verwoest.

De Franse filosoof Voltaire verwoordt de gang van zaken als volgt:

Zij deden de dijken doorsteken, die het zeewater tegenhouden: de ontelbare landhuizen rondom Amsterdam, de dorpen, de naburige steden, Leiden, Delft, stonden onder water. Zonder morren zag de landman zijn kudden verdrinken, Amsterdam leek op een uitgestrekte vesting, te midden der wateren gelegen. (…) Het gebrek was groot onder het volk; er was vooral een tekort aan drinkwater, dat drie stuivers de kan kostte; maar aan die uiterste nood gaf men de voorkeur boven slavernij.”


  1. Water als wapen
  2. Macht en politiek
  3. Het Rampjaar 1672
  4. Water als laatste redmiddel
  5. Werk in uitvoering
  6. Van oud naar nieuw